| |
Vannacht sliepen we aan de rand van Yalata Aboriginal Lands. Als niet-aboriginal heb je
een vergunning nodig om dit land te betreden; als je hier toch zonder vergunning wordt betrapt
kun je rekenen op een boete tussen de €600 tot €6.000. De gedachtegang hierbij is dat
aboriginal land privé-eigendom is.
We rijden verder westwaarts en passeren daarbij het iconische bord dat de start van de
boomloze vlakte (Nullarbor Plane) aangeeft.
Head of Bight is een baai gelegen in het meest noordelijke stuk van de Great Australian Bight,
de grote bocht die zo'n beetje de zuidzijde van Australië omvat.
Hier is één van de twee spectaculaire locaties langs de Australische zuidkust waar vrouwelijke
walvissen - zuidkapers ofwel Southern Right Whales – in het kraamseizoen (van juni tot oktober)
hun kalveren ter wereld brengen. Twaalf kilometers hier vandaan kunnen we overnachten. Voor de
toegangsweg naar het bezoekerscentrum en de kust, is een krijtbord geplaatst met de opbeurende
tekst dat er vandaag maar liefst 0 walvissen zijn gezien. Nul.
Niet erg hoopgevend...
Desondanks gaan wij er voor, parkeren bij het bezoekerscentrum, betalen ieder AU$ 7,- entree –
laagtarief want het walvisseizoen start pas morgen - en lopen over het houtvlonderpad de 90
meter hoge Bunda Cliffs op.
Zie onderstaande foto. Nee, wij staan daar niet op...
Bij de ingang treffen we twee vertrekkende bezoekers, die rapporteren
tot onze vreugde dat ze enkele dolfijnen EN een walvis hebben gezien!
Even later zijn ook wij druk doende met het speuren naar walvissen, een frustrerende bezigheid
als je niet weet waar je op moet letten... En wat betreft het waarschuwingsbord bij de ingang
'be aware of snakes’, die zien we ook niet. Maar ... dolfijnen hebben we al snel in de smiezen.
De walvis dreigt ongezien te blijven, totdat we naast een meer ervaren bezoeker staan. Terwijl
deze dame herhaaldelijk wijzend ‘There, I see a whale’ uitroept en onze blik onmiddellijk haar
uitgestoken hand volgt, ontgaat het grootste zoogdier ter wereld ons compleet. Is deze mevrouw
serieus te nemen, zo vragen wij ons na een tijdje af. We turen ons een ongeluk naar
uit het water springende kolossen en zwiepende staarten en ontwaren niets, nul, nada.
Boter bij de vis, zo vinden wij, waarna de dame van wal steekt om ons uit te leggen waar we op moeten letten: wit water.
Een walvis komt nu en dan naar boven om te ademen - tenslotte is het een zoogdier. En het eerste
wat het doet, is het uitademen van ingehouden lucht, waarbij een fijne spray van water en lucht de
ruimte in wordt geblazen door het spuitgat in het hoofd. Zo'n wit wolkje verschijnt en verdwijnt in
enkele seconden, en op die plek zit onze walvis!
Al snel ontdekken we dat onze cameralens van 200mm niet toereikend is om deze
zeezoogdieren herkenbaar vast te leggen - bovendien hebben de walvissen een duidelijke voorkeur om minstens
een kilometer uit de kust te blijven, en niet aan de oever zoals hun naam doet veronderstellen, wat het
vastleggen op de gevoelige plaat ook enigszins bemoeilijkt.
Toch sluiten we de dag af met twee dolfijnen en een walvis - meer dan waar we gezien het mededelingenbord
op mochten rekenen.
We rijden twaalf kilometer terug naar onze overnachtingsplaats, Whitewell Tank Camp, een desolate vlakte met
wondermooi licht waar je eindeloos ver kunt zien, waar we tegen vieren voldaan neerstrijken.
Walvis: gezien!
|
|